Dutch English
spreken to speak
weten to know
de voorwaarde condition
iemand somebody
niemand nobody
welk(e) which
De Verenigde Staten The United States
waarschijnlijk probably
niet meer not any more, no longer
nog niet not yet
Ik denk het. I think so.
Hoe heet je? etc. What is your name?
dus thus, therefore, so
prachtig beautiful
te too
echt real(ly)
af en toe now and then
natuurlijk naturally, of course
helemaal (niet) altogether, (not) at all
soms sometimes
misschien perhaps, maybe
getrouwd married
mensen people
de naam the name
de brief the letter
de auto the car
het druk hebben to be busy
moeten must, to have to
heten to be called
leren to learn, teach, study
moeilijk (vinden) (to find) hard
corresponderen to correspond