The verb `werken'(to work) can serve as a model for a group of so-called weak verbs which are all conjugated the same way and form the various tenses on the same principles. These verbs are called `weak’ because the stem of the verb, in this case `werk’, never changes.

Words that have a k, f, s, ch, or p before the `-en’ in the infinitive, such as `werken’ below, form the Past Tense and Perfect Tenses by means of a t; all other weak verbs take a d.

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik werk ik werkte ik heb gewerkt
2 jij werkt jij werkte jij hebt gewerkt
3 hij werkt hij werkte hij heeft gewerkt
3 zij werkt zij werkte zij heeft gewerkt
3 het werkt het werkte het heeft gewerkt
1 wij werken wij werkten wij hebben gewerkt
2 jullie werken jullie werkten jullie hebben gewerkt
3 zij werken zij werkten zij hebben gewer

Note: The same happens in spoken form in English words: a t is heard in `worked’ and `chopped’ although these words are spelled with a d. In words like `listened’ and `lived’ on the other hand, a d sound is heard. An easy way to remember which words take t is to form a word of the letters mentioned above, namely KoFSCHiP.